| |
Datum : 20-4-2003
Door : Pieter Bos
Eerder verschenen in "Vrijplaats" van het Nederlands Dagblad, 13 aug 1999.
In de serie artikelen naar aanleiding van het vergeving vragen voor het kwaad
van de kruistochten stelt Pieter van Kampen een aantal vragen; Cees Rentier beantwoordt
ze niet maar raadt aan: "…uitleven en doorgeven Wie er wissen kan"; ds A.A. Spijkerboer
raadt aan niet te ver terug te gaan in de geschiedenis; Jeno Sebök begint een bijbelstudie,
maar eindigt toch met vragen; en prof. A. Th. van Deursen zegt: zwarte bladzijden zijn
nu eenmaal zwart, bij alle betrokken partijen. Gebedsleider Pieter Bos probeert een
paar vragen vanuit de bijbel te beantwoorden.
"Wilt u mij vergeven dat ik voor mijn bekering de Hollanders vele malen heb vervloekt?"
vroeg een vrouw na afloop van een dienst in Sao Paulo, Brazilië, waar ik had gesproken
(augustus ’99), "want omstreeks de eeuwwisseling kwamen de Nederlandse kolonisten met
lasso’s de meisjes van onze (indianen-)stam vangen voor slavernij. Mijn over-grootmoeder
was zo’n slachtoffer; mijn grootmoeder is geboren uit gedwongen prostitutie".
Wat moest ik zeggen? "Mevrouw, ik wist niet eens iets van die vervloeking af." Of:
"Mevrouw, die oude schande kan u of mij toch niet meer deren?" Of moest ik met Nehemia
zeggen: "Mevrouw, ik, mijn vaderen en mijn volk hebben gezondigd" (Neh 1:4-7)?
Schuld verjaart niet.
In principe had ik helemaal geen keus. Want in principe worden de volken straks in
het oordeel ter verantwoording geroepen voor hun daden in hun geschiedenis. Over de
praktische uitwerking kunnen we discussiëren. Maar of het plezierig aanvoelt om met
oude schuld te worden geconfronteerd, dan wel of "de andere partij" ook schuldig is,
doet niet af aan het principe.
Volken zullen worden geoordeeld
- vanwege de oorlogen die ze hebben gevoerd (Jes 2:4, Mich 4:3),
- vanwege hun gedrag t.o.v. Jezus "minste broeders" (Joel 3:19, Matt 25:40,45),
- vanwege het gierig handelen met Babylon en
- vanwege het zich overspelig met haar gedragen (Openb 17, 18).
God spreekt David aan op de zonden van zijn voorganger Saul tegen het verbond van
diens verre voorganger Jozua met de Gibeonieten (resp. 40 en 400 jaar geleden, 2Sam
21); Jezus spreekt "moeder Jeruzalem" aan op het bloed van Zacharia en Abel (resp.
400 en 4000 jaar geleden, Matt 23:29-37). Jezus waarschuwt de Galilese steden voor
het oordeel over de steden in en buiten Israël (Matt 11:20-24). Volken zullen zich
dus uiteindelijk moeten verantwoorden, over misschien wel heel oude schulden. Oude
en Nieuwe testament maken dit duidelijk. Het feit dat wij niet begrijpen hoe God
individuele en corporatieve schuld kan scheiden, moet ons niet verleiden het principe
uit het oog te verliezen.
Bij voorbeeld: de slavenhandel.
Als voorbeeld de slavenhandel in de 17-19de (!) eeuw. De Staten van
Zeeland hebben in 1597 duidelijk uitgesproken dat slavenhandel zonde was. De hoge
ambtenaar Jakob Cats deed later hetzelfde in woord en gedicht. Desondanks begon
de West Indische Compagnie in 1628 met slavenhandel. En bij de Vrede van Munster
in 1648 waren de rechten tot slavenhandel op Spaanse koloniën onderdeel van de
vredesonderhandelingen. De slavenhandel was dus naar woorden van die tijd een
zonde, en wel van nationale schaal. Dat wacht op ons in het eindoordeel.
Individualisme, iets van deze tijd.
Ik begrijp wel wat er dwars zit: ons individualisme. Het westerse levensgevoel
heeft weggeërodeerd wat in ZO Europa, Afrika en Azië nog bestaat en wat normaal
is in bijbels denken: een volk is niet maar: veel mensen van de zelfde soort. Nee,
een volk is een persoonlijkheid, met een bestemming, met een geschiedenis, en met
een verantwoordelijkheid voor beide. Haar geschiedenis is langer en haar
verantwoordelijkheid groter dan van haar individuele leden samen.
Volken worden aangesproken als persoon: O jonkvrouw Israël, O dochter Moab.
In Jes 47: O jonkvrouw Babel en O wellustige Babel. Volken worden opgedragen
God te loven (o.a. Ps 117); ze ontvangen een erfenis (Deut 32:8); ze worden
in OT en NT gewaarschuwd dat er een oordeel komt. Achan vertegenwoordigt zijn
héle volk, zodat God tegen de nietsvermoedende Jozua kan zeggen: "Israël heeft
gezondigd"! Maar Daniël als voorbidder (Dan 9) vertegenwoordigde ook zijn héle
volk. Als Juda of Jeruzalem zondigt zegt God namelijk: Ik zoek naar iemand
die zijn volk of stad wil vertegenwoordigen in schuldbelijdenis, want anders
moet ik wel straffen (Jes 59:16-17, Jer 5:1, Ez 22:30). Dit begrip, dat elk
persoon zijn volk vertegenwoordigt, ten kwade en ten goede, hoort gewoon bij
individueel en corporatief persoon zijn.
Op de bres willen staan.
Moeten we nu gelaten het eindoordeel afwachten, het "rechtsgeding van God met
de volken" in Jes 41-48? Volgens het openingsvers, Jes 41:1, hoort
het kustland Nederland in ieder geval tot de gedaagden!
Zal iemand de euvele moed hebben (nog afgezien van de overtuigingskracht) God
voor te rekenen dat de Republiek der Verenigde Nederlanden niet het zelfde is
als het Koninkrijk der Nederlanden? Of moeten we open staan voor Gods appèl:
"Ik zocht naar een man die op de bres wilde staan, die zijn volk of stad wil
vertegenwoordigen in schuldbelijdenis, want anders moet ik wel straffen?"
Daniël liet zich vinden.
Daniël leest, dat volgens Jeremia de ballingschap 70 jaar zal duren. Als hij
berekent dat die tijd is verstreken, bedenkt hij ook dat de reden van de
ballingschap, Juda’s nationale zonde, nog nooit als zonde is beleden. God
kan dus, in juridische zin, nog niet tot vervulling van zijn belofte overgaan.
Daarom belijdt hij eerst, vijftien verzen lang (Dan 9:5-19), de zonden van
zijn volk, zich met zijn volk identificerend, smekend: "O Here, hoor, o Here,
vergeef". Pas daarna vraagt hij om terugkeer van het volk.
De terugkeer komt dan inderdaad op gang.
Als echter de terugkeer na ongeveer veertig jaar stagneert, belijdt Ezra weer
de zelfde zonden, 9:6-15. Opnieuw komt de terugkeer op gang.
Bij stagnatie nog weer tien jaar later is het Nehemia die de zelfde zonden
identificerend belijdt. Dan lijkt het genoeg.
Niet parmantig zijn.
Een laatste opmerking over de praktische toepassing. Parmantigheid van
voorbidders die menen met een enkel gebed een historische schuld te hebben
opgelost, is uit de boze. God zoekt mannen en vrouwen die zich willen
identificeren met hun volk ten goede, die zich verootmoedigen omdat ze Gods
heiligheid beseffen, en die beseffen dat vervloekingen een barriere zijn
voor de voortgang van Gods werk in b.v. evangelisatie en zending.
De mensen die de kruistochtenroute hebben nagelopen om schuld te belijden
waren als Daniël, een voorbidder op zijn eentje. Mag ik de geschiedenis zo
lezen: God liet het er op aan komen dat ook een priester-schrifgeleerde Ezra,
en later nog weer een gouverneur Nehemia, voor de zelfde nationale zonden
schuld beleden. Met andere woorden, en toegepast op onze tijd: God is
blij met het gebed van de voorbidder, maar wacht tot ook de geestelijke
leiders verantwoordelijkheid op zich namen, en tot uiteindelijk ook de
regering dat doet!
De verzoeningsmars voor de kruistochten was een manifeste Daniël-stap voor
oude zonden van de kerk. Zijn wij bereid tot Daniël-stappen? En blijft "de
kerk" dan toekijken, discussiëren? Of komt ze tot Ezra-stappen, terwille van
de voortgang van Gods werk?
Ir. P. Bos was vijftien jaar zendeling bij Jeugd met een Opdracht in
Amsterdam. Hij leidt nu samen met zijn vrouw Helene de zendingsorganisatie
"Serving the Nations". Hij is coördinator van het Stads- en Regiogebed Nederland
en medeoprichter van de European Prayer Link. Hij geeft internationaal les
over Gods plan met en verzoening tussen de volken.
[^ top]
|